Het kind rende onvermoeibaar over
het zanderige speelplein, als een konijn op Duracellbatterijen. De klimrekken konden
hem niet boeien, noch de loopbrug of de glijbaan of enig ander speeltuig. Het enige
wat hij wou was achter de eenden aan zitten. En de ooievaar. Ah ja, want die
liep daar ook wat aan te modderen.

Hij joeg de arme beesten genadeloos
op, stuurde ze gibberend voor zich uit over het plein, gooide er zand naar en
zelfs een occasionele steen.

Wij zaten er op een afstandje
naar te kijken. We vroegen ons luidop af of dat rotjoch geen vader of moeder
had die even hardhandig kon ingrijpen, en merkten toen dat er wel degelijk een
vader was, maar die lag op een bankje in de schaduw te slapen. Alsof er niets
anders te doen valt in Pairi Daiza.

Toen het kind in onze buurt
passeerde, riep ik β€˜Non’. Luid genoeg blijkbaar, want hij keek om. Mijn gezelschap
– dat over een iets uitgebreidere vocabulaire beschikt – gaf het kind ook nog
een reprimande voor zijn dieronvriendelijke gedrag. Het hielp maar even. Zodra hij
zich veilig buiten onze roepafstand waande, ging hij weer over tot de orde van
de dag.

Wij hoopten vurig dat de
moegetergde ooievaar hem uiteindelijk in zijn kuiten zou pikken.